Met de papieren netjes opgevouwen in haar rugzak, liep ze de trein in. Het retourtje Gouda – Utrecht was meestal een heel gewone rit. Van huis naar school en weer terug. ’s Ochtends slapen en een Metro lezen, ’s middags alvast wat huiswerk voor de dag erna maken of een preekje luisteren via haar iPad. Vijftien jaar was ze en diepgelovig. Dat Jezus haar redder was mocht de hele wereld weten. Maar wat weerhield haar er dan van om elke dag met de treinreizigers tegenover haar een praatje te maken? Om hen te vragen of ze de Heer wel hadden aangenomen, of ze wel écht wisten wat het geloof nu precies inhield? O ja, het was het aller- allermooiste cadeau dat ze ontvangen had, die zekerheid van het bestaan van God (écht écht waar!), maar waarom was het zo verdraaid lastig om hierover met onbekenden, laat staan met bekenden te praten? Zodra één van haar klasgenoten iets vroeg over geloof veranderde ze in een trillend rietje dat stotterend enkele woorden uitbracht over zonde en liefde – een schamel overblijfsel van de volzinnen die gewoonlijk uit haar mond vloeiden als ze in het gezelschap van haar christelijke vrienden was. Als een mantra herhaalde ze keer op keer de aloude woorden: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt, het bewijs van wat men niet ziet.”
De papieren had ze volgepend. Alles wat ze altijd al had willen zeggen maar in het echt niet durfde stond op die 2 kantjes uitgeschreven – een keer of vijf dezelfde tekst. Net Valentijn. Dat wat je eigenlijk niet durft te zeggen gaat toch makkelijker op papier. Met dezelfde schaamte: dat als de respons niet positief was, er ook een stukje van jezelf verloren ging. Een christelijk blauwtje wilde zij niet lopen.
De trein remde af. Utrecht Centraal. Vluchtig pakte ze de papieren uit haar handtas. En in één beweging legde ze de A4tjes met evangelisatieteksten op het bagagerek terwijl ze haar schooltas er vanaf haalde. Alsof er niets gebeurd was, liep ze de trein uit en prevelde een schietgebedje.
